|
|
|
Wijk, de voorstad van Maastricht, had nog geen naam en de overheid was er
juist over bezig hoe zij haar zou noemen, toen er pas een gevecht tussen Maastrichtenaren
en Wijkenaren had plaats gehad. Die van Maastricht hadden voor de overmacht van de
Wijkenaren moeten vluchten, maar zij hadden ook gezworen terug te komen om zich te wreken. |
|
De mannen van Wijk waren er toch niet zo gerust over en vroegen aan
vrienden en buren om hulp. Ondertussen verzamelden zich die van Maastricht en maakten zich
gereed om op die van Wijk aan te trekken. |
|
Er was toevallig een Wijkenaar, die de Maastrichtse troep bij elkaar zag
en die nu hard over de brug kwam gelopen om zijn vrienden te waarschuwen. |
|
Toen hij het kleine hoopje Wijkenaren zag, dat gedwongen zou worden het
gevecht met de overmacht van Maastrichtenaren aan te gaan, riep hij hun toe Wijk! Wijk!
Maastricht komt er aan! |
|
Dat hoorde toevallig de vroedschap, die nog altijd aan het beslissen was
hoe ze het complex aan de andere zijde van de Maas zouden noemen en daar ze als
Maastrichtenaren geheel op de hand van de laatste waren, gaven zij de voorstad de
vernederende naam Wijk, omdat het toch wel voor Maastricht zou moeten wijken. |