Trekker en Werktuig

 

 

Landing bij de loonwerker

De Diamond Star, het eenmotorige vliegtuig, koerst van Moree naar de landingsstrip achter het bedrijf van Allan Young in Wee Waa in New South Wales. Daar wacht loonwerker Dale Smith ons op. Smith zit vooral in de ruwvoederwinning en de grondbewerking. Maar je kunt ook een trekker bij hem huren.

Dale Smith is een selfmade man. Zo’n twaalf jaar geleden begon hij zijn loonbedrijf met een oude trekker en een zelfrijdende “windrower”, een maaier dus. Daarmee ging hij voor boeren luzerne maaien. “Hay making” noemen de Australiërs dat. Maar het bleef niet bij maaien. Ook schafte hij een oprolpers aan en daarna begon de bal met recht te rollen. Inmiddels bezit hij een heel machinepark met zo’n 15 trekkers en de nodige machines. Maar niet voor alles. Loonwerkers in Australië specialiseren zich in een aantal werkzaamheden. Anderen doen weer ander werk. Dat geldt ook voor Smith. Naast zijn loonbedrijf bezit hij een kleine 10.000 ha bouwland waarop hij alleen tarwe en gerst verbouwt. Dat zou het bezit van eigen maaidorsers rechtvaardigen. Toch heeft hij die niet. Collega loonbedrijven voeren de oogst bij hem uit. Zodat Smith zich kan blijven richten op het werk waarin hij is gespecialiseerd. En dat is vooral persen. Hij presteert het om in een jaar tijd 25.000 ronde balen te maken met zijn New Holland oprolpers. En met de Laverda (McCormick in Australië) grootpakpers is het nog gekker gesteld. Daarmee perst hij per jaar zo’n 30.000 balen !!

Optimaal benutten

Het loonwerk zit in de lift in Australië. “Dat is eigenlijk logisch,” zegt Dale. “Boeren die zelf machines aanschaffen, moeten voldoende oppervlakte maar ook personeel hebben om die machines te kunnen gebruiken. Dat personeel is er eigenlijk niet. Wij hebben 9 medewerkers en wij proberen onze machines continu aan het werk te houden. Daardoor worden ze optimaal benut en kunnen we ze ook op tijd vernieuwen. Zo blijft het machinepark up-to-date en kunnen we goed werk afleveren. We werken tot zo’n 50 km van huis, dus we kunnen in dit grote landbouwgebied flink aan de slag blijven.” Smith schafte in de loop der tijd 15 trekkers aan, 3 kniktrekkers en 12 gewone frametrekkers. Met uitzondering van 2 Ford kniktrekkers zijn ze verder allemaal van Case IH makelij. Vooral Magnums, maar ook wat oudere lichtere modellen. Maar geen “kleintjes”, zoals de Case IH Maxxum MX. Daarvoor zijn de oppervlaktes in zijn werkgebied toch eigenlijk een beetje te fors. De oudere trekkers zijn inmiddels wel zo’n beetje afgeschreven, maar voor licht werk gebruikt Smith ze nog. Bovendien verhuurt hij trekkers. Dat levert ook nog wat op.

Goede service

Case IH bevalt Dale Smith eigenlijk wel. De service is goed. In de beginperiode van de Magnum vertoonde de elektronica daarvan nog wel wat gebreken. Maar dat loste de dealer goed op. Smith schafte vorig jaar bovendien een Steiger STX Quadtrac aan, maar die was ook niet zonder mankementen. Ook dat loste de dealer op door tijdelijk een andere ter beschikking te stellen en dat kostte hem niets, ondanks de duizend uur die hij ermee draaide. Dat spreekt Smith aan. Als hij overigens tegen een koopje aanloopt, zal hij dat niet laten lopen. Zo schafte hij voor een prikkie een bijna nieuwe NH Haybine 2300 maaier met conditioner aan. Die bevestigde hij op een gebruikte Case IH katoenoogster. Overal zijn die te vinden. Ze staan soms jaren bij dealers te koop en niemand wil ze meer hebben. Behalve Dale Smith, want die doopte de machine om tot zelfrijder, waarop hij het NH maaibord bevestigde. Toen hij er voor het eerst het veld mee in ging, draaide de machine direct tot tevredenheid. Zodanig dat hij nog geen tijd heeft gehad om er kwast verf overheen te halen. Onder normale omstandigheden draait hij er ruim 30 ha mee op een dag.

Volle dagen

Zo heeft Dale Smith met zijn loonbedrijf een plaats veroverd in het gebied rond Wee Waa. Naast het maaien en persen beschikt hij ook over een paar Grizzly schijveneggen (20.000 ha per jaar), enkele zaai- en spuitmachines en een paar injecteurs voor vloeibare kunstmest. Voornamelijk zit Smith daarmee in de katoenteelt, maar ook zaait hij graan, bonen en erwten. Meestal zes, maar vaak ook zeven dagen per week. Zijn trekkers draaien tussen de 2.000 en 2.500 uur per jaar. Dat komt neer op 80 tot 90 uur per week. Dat zijn volle dagen, maar zo komen de machines wel volop tot hun recht. Dale Smith kan daar de kost goed mee verdienen. Hij overweegt zelfs om het Case IH dealerbedrijf waar hij zijn machines van betrekt, over te nemen. Als hij daar hetzelfde succes mee boekt als met zijn loonbedrijf, dan zit Dale Smith voorlopig goed. Na een bezoek aan zijn interessante bedrijf, brengt hij ons terug naar de Diamond Star bij de landingsstrip. Tijd voor vertrek, terug naar Moree.

1 Op een afgeschreven Case IH katoenoogster bouwde Smith een New Holland maaibek. Resultaat: een voordelige en functionele machine

2 De Grizzly is een schijveneg van Australische makelij. Met twee van deze Field Boss machines bewerkt Smith 20.000 ha per jaar

3a (keuze) Met balen persen begon Smith zijn bedrijf. Ook nu is dat nog een belangrijke tak. Per jaar perst hij 30.000 grootpakken met deze Laverda (McCormick in Australië) 

3b Een oude trekker met een Italiaanse hark legt het stro van de sorghum op een zwad. Dat gaat als veevoer in een grootpak

4 Dale Smith is een “self made” man. In twaalf jaar tijd bouwde hij een loonbedrijf van formaat op

Kangaroo country

Uitgestrekte landbouwgebieden, af en toe onderbroken door bossage. En kangaroes die plotseling tevoorschijn komen, maar even zo snel weer verdwijnen. Dat is het beeld van Australië, land van de ruimte. De mechanisatie is erop afgestemd. Grote oppervlaktes, met vaak minimale of helemaal geen grondbewerking. Maar wel machines van deze tijd, gestuurd door GPS

Chamberlain John Deere

 

Boemerang

De gebroeders Chamberlain bouwden trekkers voor de Australische markt. Soms zat dat mee, maar soms ook flink tegen. Het leek wel eens op een boemerang. Je gooit hem weg, maar hij komt net zo hard weer terug. De laatste keer ving John Deere hem op.

Wie landbouwbedrijven in Australië bezoekt, loopt grote kans Chamberlain trekkers aan te treffen. Gele, maar ook groengele. Dat geeft meteen aan hoe het zat. Een oorspronkelijk Australisch merk dat overging in handen van John Deere.

De geschiedenis van Chamberlain trekkers begint in de jaren dertig van de vorige eeuw in West Australië. De gebroeders Bob, Bill en Bert Chamberlain legden toen de basis voor een van weinige Australische trekkermerken die ooit van betekenis waren. De Chamberlains hadden als doel een trekker te ontwikkelen die zou voldoen aan de wensen van grote graanboeren in Australië. Daarvoor golden twee uitgangspunten: de motoren moesten kunnen volstaan met lange onderhoudsintervallen en de transmissie moest over voldoende versnellingen beschikken. Maar de Tweede Wereldoorlog brak uit en er was daarom geen sprake van de productie van de Chamberlain trekker. Werktuigbouwkundige Bob Chamberlain ging echter naar de USA en maakte daar deel van een team dat de M3 tank ontwierp, het antwoord op Duitse tanktechnologie. Met die ervaring keerde hij terug naar Australië. Er was op dat moment een groot tekort aan tractoren en Chamberlain ontwikkelde daarom, mede op verzoek van de West Australische regering twee prototypes. Met steun van diezelfde regering kregen de Chamberlains de kans om trekkers te gaan bouwen in een voormalige munitiefabriek in Welshpool, bij Perth.

1.000 per jaar

In 1949 ging de productie van de 40 pk sterke 40K voortvarend van start. De jaarproductie bedroeg al snel zo’n 1.000 trekkers en dat moesten er 2.000 worden. Prima voor de werkgelegenheid, want daar had de West Australische regering op ingezet. Maar 1952 bleek een rampzalig jaar voor de verkoop van landbouwmachines. Toch bouwde Chamberlain door, noodgedwongen, zo’n 60 trekkers per week. Bill Chamberlain besloot vervolgens dat een zwaardere dieseltrekker en een werktuiglijn het bedrijf uit het dal moesten slepen. Dat bleek een succes, maar Chamberlain zat nog steeds met een vracht onverkochte 40K trekkers in zijn maag en de nieuwgekozen regering wilde weinig meer met het bedrijf van doen hebben. Toch kon die regering niet zomaar onder zijn verplichtingen uit en bleef garant staan voor de noodlijdende trekkerbouwer. Met zwaar verlies deed Chamberlain knarsetandend het overschot aan 40K trekkers in de uitverkoop. Vervolgens ontwikkelde het bedrijf een 45 pk sterke dieseltrekker. Dat werd de “Champion” en inderdaad, ook die bleek een bestseller die Chamberlain weer op de been hielp.

Bestseller Champion

Maar het boterde niet langer tussen de staat en de familie Chamberlain. In 1956 braken de partijen en de Chamberlains zochten hun heil in Melbourne waar ze andere, goed lopende bedrijven bezaten. In 1962 werd de trekkerfabrikant Chamberlain beursgenoteerd en in 1970 nam Deere & Company een aandeel van 49% in het bedrijf. Daarmee kwam ook de distributie van John Deere in Australië in handen van deze nieuwe onderneming, genaamd Chamberlain John Deere (CJD). In 1981 had CJD een marktaandeel van 20% in Australië. In datzelfde jaar leverde de fabrikant zijn vijftigduizendste trekker af. Op dat moment was de geelkleurige 80-serie het best lopende trekkermodel in Australië. Deze was gebaseerd op de Champion. Maar er waren ook al veel John Deere componenten in herkenbaar, zoals de motor, de kap en de bediening van de transmissie. Dat werd nog duidelijker met de introductie van de 90-serie, die ook de groengele John Deere kleuren droeg en nog meer componenten van Amerikaanse JD huize bevatte. Maar deze serie deed zijn intrede op een moment dat de Australische markt opnieuw door een diep dal ging. In 1986 viel daarom het doek voor Chamberlain John Deere. Het Australische merk was geschiedenis. John Deere had alle resterende aandelen overgenomen en daarmee het roer volledig in handen gekregen. Einde Chamberlain, gebaande weg voor John Deere.

1 De Chamberlain 80-serie was in productie van eind jaren 70 tot midden jaren 80. Duidelijk was de invloed van John Deere toen al zichtbaar.

2 De achterbrug van deze Chamberlain 4480 is een eigen ontwerp. Bijzonder zijn de “frontgewichten” op de achteras. De trekker heeft een doordraaiende aftakas en zwaaiende trekhaak.

3 Ook uit het eigen huis van Chamberlain is de eenvoudig ontworpen vooras

4 De 90 serie was de laatste die nog onder de naam Chamberlain in Australië werd gebouwd, zoals deze 118 pk sterke 4290. Dit is al bijna een echte John Deere met veel Amerikaanse componenten.

NH dealer Bernie Keitlinghaus:

“Ik heb vertrouwen in Bühler”

Langs de toegangsweg van de luchthaven naar het centrum van Moree, ligt Moree Header, het NH dealerbedrijf van Bernie Keitlinghaus. Maar prominent achter het hek geplaatst staan ook twee Bühler Versatile trekkers geparkeerd. “Met Versatile heb ik jarenlang goede ervaring”, vertelt Keitlinghaus. “En dat moesten we maar zo houden. Ook nu Bühler aan het roer staat.”

“Wie heeft je dat Duits geleerd”, vroeg John Bühler aan Bernie Keitlinghaus, toen die recentelijk een bezoek bracht aan de fabriek van Bühler in het Canadese Winnipeg. Ze spreken allebei inderdaad nog vloeiend Duits en dat heeft gewoon te maken met feit dat ze allebei Duitse “roots“ hebben. Keitlinghaus bleef in Australië hangen nadat hij daar in de jaren zeventig voor Claas werkte. Het beviel hem goed en hij had geen behoefte meer om terug te keren naar Duitsland. Om aan te tonen waar hij oorspronkelijk vandaan komt, haalt Keitlinghaus een kaart van Duitsland tevoorschijn. Daarop is de DDR nog overduidelijk een afgescheiden gebied en dat geeft aan welke band Keitlinghaus heeft met zijn geboorteland. Ook Bühler is immigrant, maar in Canada. Toch spreken de heren een woordje Duits met elkaar en dat schept kennelijk een band. Want ze kunnen het kennelijk goed met elkaar vinden. Zodanig dat Keitlinghaus Versatile blijft voeren naast New Holland.

Eigen boontjes

De combinatie NH en Versatile is geen alledaagse. “Maar ik dop graag mijn eigen boontjes”, vertelt Keitlinghaus. “Ik ben al jaren Versatile dealer, ook al toen Versatile nog geen onderdeel was van New Holland. Maar toen (Ford) New Holland eind jaren tachtig Versatile overnam, ben ik eigenlijk automatisch NH dealer geworden. In dit gebied lever ik een goede veertig kniktrekkers per jaar en dat zijn er bepaald niet weinig. Vanzelfsprekend waren dat de laatste jaren New Holland trekkers. Naast natuurlijk de 70A modellen die uit Winnipeg kwamen. Maar doordat New Holland vanwege de fusie met Case IH de fabriek in Winnipeg moest afstoten, kwam aan de levering van trekkers uit deze fabriek ook een einde. In plaats daarvan kregen we de NH TJ kniktrekkers en sinds kort de TG frametrekker in ons programma. Dat is allemaal prima, maar ik heb goede ervaringen met Versatile en via Powerfarming, de Nieuw-Zeelandse importeur, kan ik ze blijven leveren. Net als McCormick en Deadong trouwens. Ik ben zelfstandig ondernemer, dus ik neem ook graag mijn eigen beslissingen. De Versatiles die John Bühler nu bouwt, bevallen ons prima en ze zijn even goed als uit de tijd van New Holland. Na mijn ontmoeting met Bühler is mijn  vertrouwen in zijn bedrijf zelfs sterker geworden. Voorlopig blijf ik dus Versatile leveren. Dat is altijd zo geweest en dat zal zo blijven.”

1 Bernie Keitlinghaus: “Door mijn bezoek aan Bühler is mijn vertrouwen in Versatile toegenomen

2 De vroegere New Holland 70A levert Bühler nu als Versatile Genesis in de vroegere Versatile kleur

3 (reserve) Op het dealerbedrijf van Bernie Keitlinghaus staan New Holland en Versatile trekkers broederlijk naast elkaar

Vliegen over de vlakte

Landbouwbedrijven in Australië beslaan oppervlaktes. Meestal zijn ze zijn over de weg wel te bereiken. Maar vliegen gaat veel sneller. En je ziet dan nog eens wat. Gerrit en Pam Kurstjens bezitten enkele landbouwbedrijven in Australië. Met regelmaat bezoeken ze die. Inderdaad, met de eigen Diamond Star, een eenmotorig vliegtuig. Great fun

Wie in Australië ergens op bezoek wil, is meestal wel even onderweg. De wegen zijn vaak onverhard en de afstanden zijn ook niet mis. Veel boeren, loonwerkers en mechanisatiebedrijven beschikken daarom over een eigen vliegtuig om zo in korte tijd op de plaats van bestemming te kunnen komen. Zo ook Gerrit en Pam Kurstjens. Ze bezitten 4 landbouwbedrijven in de provincies Queensland en New South Wales met een totale oppervlakte van ruim 12.000 ha. Zelf boeren ze er niet op, maar ze verpachten deze bedrijven. Toch zijn ze er met regelmaat te vinden omdat ze nauw bij de bedrijfsvoering betrokken zijn en ook mede investeren in nieuwe gebouwen, infrastructuur en machines. Daarom reizen ze vaak naar deze bedrijven en dan komt de Diamond Star, het eenmotorige vierpersoons vliegtuig, goed van pas. Want afstanden van enkele honderden kilometers zijn in Australië niet zo bijzonder en de bedrijven van Kurstjens liggen wel zo ver uit elkaar. Drie bedrijven in de omgeving van Moree en Goondiwindi zijn puur gericht op akkerbouw (zwarte, vochthoudende en humusrijke klei). Het bedrijf in de nabijheid van Dubbo bestaat uit lichtere rode klei en is gemengd. Dat wil zeggen akkerbouw met schapen. Alle zijn volledig gemechaniseerd. Maar wel op zijn Australisch. Dat betekent minimale bewerking en dus een lage kostprijs. Vier bedrijven in beeld.

Gunyana

Veel bedrijven in Queensland dragen Aboriginal namen. Zo ook Gunyana, een akkerbouwbedrijf in de omgeving van Goondiwindi. Het bedrijf telt zo’n 1.600 ha en is daarmee het kleinste bedrijf van Kurstjens. Desondanks is het nog steeds 1.600 ha en voor Nederlandse begrippen heb je dan al een hele lap grond. Maar van intensief gebruik is geen sprake. Dat geldt overigens voor alle landbouwbedrijven in deze streek. De grond is er vrij voordelig en de noodzaak voor hoge saldo’s is daarom kleiner. Dat komt tot uiting in de landbouwmethoden. Pachter Dick Herdi verbouwt voornamelijk tarwe, gerst, sorghum, zonnebloemen en duivebonen. Daarvoor hanteert hij het “zero till” principe. Deze uit de Engelse taal afkomstige term betekent “geen bewerking” en dat gebeurt ook inderdaad niet. Dat wil zeggen geen grondbewerking. Zodra het ene gewas geoogst is, gaat het volgende er gewoon achteraan zonder dat er een cultivator of een schijveneg bij aan te pas is gekomen. Dat is een heel andere manier van denken. In Australië is het systeem al heel gebruikelijk en ook in de grotere landbouwstreken in Europa begint het meer opgang te maken, evenals in Noord Amerika. Het heeft als voordeel dat de input lager is. De machinekosten zijn veel lager en de uiteindelijke gewasopbrengst is hoger. De lagere machinekosten spreken voor zich. Geen investeringen in kostbare machines, minder arbeidskosten en veel minder brandstofkosten. De kostprijs per trekkeruur wordt wel hoger, omdat het gebruik minder wordt. Ook de gewasopbrengst neemt op termijn toe. Dat komt doordat de vochtvoorziening beter wordt en dat heeft weer alles te maken met een verbeterde capillaire werking in de bodem. Bovendien krijgt het bodemleven meer de gelegenheid zich te ontwikkelen doordat het niet iedere keer opnieuw op zijn kop wordt gezet. Het systeem is onvergelijkbaar met traditionele Nederlandse landbouwmethoden. Maar de kostprijs ligt veel lager, dus bij lagere marktprijzen of bij een misoogst is de schade ook minder groot. Dat kan in de vette jaren gemakkelijk gecompenseerd worden. Het machinegebruik is bij deze landbouwmethoden daarom ook heel anders. Voor optimale benutting van het bodemvocht worden gewassen zoals sorghum in dubbele of driedubbele rijen gezaaid, dat wil zeggen om de twee of drie rijen een rij overslaan. Proefondervindelijk is vastgesteld dat de sorghum planten het vocht naar zich toe trekken en er minder via verdamping verdwijnt. De elementen van de zaaimachines zijn daarop afgestemd. Dit zijn overigens zeer robuust uitgevoerde machines omdat ze in staat moeten zijn door de stoppel van de voorgaande gewassen te zaaien. Meestal zijn de machines daarvoor uitgevoerd met zware schijfkouters en veerbelaste zaaipijpen.

Bryanungra

Om in korte tijd flinke capaciteit te kunnen maken, gaan veel Australische boeren over op het systeem van GPS gestuurde parallel tracking. Zoals op Bryanungra, een andere boerderij van Kurstjens, ook in het gebied tussen Goondiwindi en Moree. Bryanungra telt ruim 2.000 ha, ook akkerbouw met ongeveer hetzelfde bouwplan als Gunyana. Het zero till systeem is op Bryanungra overigens nog niet zo in gebruik. Voordat de gewassen de grond in gaan, wordt het onkruid gespoten met een contactherbicide. Pachter Dick Herdi, die ook Gunyana bewerkt, schafte daar een nieuwe Case IH SPX 4260 zelfrijdende spuit voor aan. Hij verving daarmee een Hardi, omdat deze geen hoge snelheid aankan. De SPX is de vroegere Amerikaanse Tyler die Case IH enkele jaren geleden overnam. De 4260 is uitgerust met het Auto Steering Systeem van Autofarm 5001. Rijden daarmee is een eenvoudig karwei. De bestuurder toetst op de GPS monitor de coördinaten in van het spoor dat de machine moet volgen. Spuit in werking stellen, gas geven en de machine zoekt zelf zijn weg. De spuitcomputer regelt de afgifte in combinatie met de rijsnelheid. En die is hoog. Als het even kan, gaat de SPX met 30 km/uur over het veld. Maar wel bij weinig water. De afgifte ligt op 40 l/ha. Aangezien de tank een inhoud van ruim 4.500 l heeft, kan de SPX ruim 110 ha in een keer aan. Een hoge snelheid kan alleen bij een beperkte boombreedte en die is dan ook niet meer dan 24m. De machine heeft een relatief laag eigen gewicht (9.700 kg), staat hoog op zijn benen en is rondom geveerd. Bovendien is de spoorbreedte variabel tussen 3,5 en 4,4m. Vanuit zijn comfortabele cabine kan de bestuurder er daarom wel even tegenaan. Ook ’s nachts. Vanwege de GPS besturing hoeft hij niet te zoeken naar het spoor van de markeur en kan hij dag en nacht met een hoge snelheid blijven doorwerken. Hij oriënteert zich op de informatie van het Autofarm systeem en spuit op deze manier zo’n 40 ha per uur. En dat er geen sprake is van verdwalen over de immense vlaktes, blijkt als je over het terrein vliegt. Vanuit de lucht zijn de spuitsporen te zien die keurig parallel aan elkaar lopen. Dat is ook de basis voor het spoor van de zaaimachine en de kunstmestinjecteur. Het fenomeen rijpaden bestaat echter nog niet, omdat de werkbreedtes nog niet op elkaar zijn afgestemd. Toch is dat wel de volgende stap.  

West Mitchel

Het bedrijf “West Mitchel” wijkt qua aanpak ook niet veel af van Gunyana en Bryanungra. Het telt 7 percelen van zo’n 400 ha oppervlakte elk. Ook voornamelijk akkerbouw met in het bouwplan ongeveer dezelfde gewassen. De nadruk ligt echter op tarwe en daar is de mechanisatie op het bedrijf op afgestemd. Bedrijfsleider Charlie Boyle gebruikt een spuitmachine van het Australische merk Croplands. De Pinto getrokken spuit is bevestigd middenop de bak van een pick-up. Dat kan ook met een trekker, maar op West Mitchell lopen een oudere Versatile kniktrekker en twee Challengers (voor het zaaien van 9.000 ha tarwe) en dat zijn niet echt trekkers om mee te spuiten. De Croplands spuit wordt aangedreven door middel van een aparte motor op de trekboom. Logisch, een pick up heeft geen aftakas. Maar GPS technologie zit er daarentegen wel op. De cabine van de pick-up is haast een heuse machinekamer. Naast het stuur zitten de bedieningskast van de spuit, maar ook een Outback parallel tracking monitor en een Outback applicatiemonitor. Alle uitneembaar, zodat ze ook te gebruiken zijn voor het zaaien. Dat gebeurt met een twee 15m brede machines: cultivatoren en zaaien in dezelfde werkgang met een soort vaste tand cultivator. Achter iedere tand zit een zaaipijp die wordt gevuld vanaf de verdeler bovenop de machine. De zaadtank loopt er op een wielonderstel achter en die vult de verdelers. Vaak loopt hierachter weer een tank met vloeibare kunstmest.

De tarweoogst is een kwestie van achter elkaar doorjassen. Charlie Boyle heeft zelf twee maaidorsers. Verder komt de loonwerker in het geweer. In totaal trekken voor de oogst op Gunyana en Bryanungra zo’n zes tot acht maaidorsers met 10m brede maaiborden trekken over het veld. Zo ligt de capaciteit rond de 40 ha of 150 ton per uur. Op West Mitchell wordt dat opgeslagen in grote silo’s. Zonodig kan het daarin nog worden gedroogd. De totale opslagcapaciteit bedraagt 3.000 ton, afhankelijk van de opbrengst toch al gauw zo’n 1.000 ha.

Voor de afvoer over de weg gebruiken de Australiërs de zogenaamde “road trains”, vrachtwagens met immens grote aanhangers, twee of soms drie opleggers van elk 40 ton laadvermogen. West Mitchel beschikt over een (in lege toestand) verrijdbare tussenopslag. Daar gaat met gemak 90 ton tarwe in. Dat schiet tenminste op.

Alagala

In tegenstelling tot de andere drie bedrijven, is Alagala een gemengd bedrijf. Het ligt onder de rook van Dubbo in New South Wales. Alagala is met een oppervlakte van 5.400 ha het grootste bedrijf van Kurstjens. Het wordt gepacht door Gordon Robertson die zelf zo’n 1.600 ha bezit. Samen met Alagala vormt dat één bedrijf. Tot vorig jaar hield Gordon 9.000 Merino schapen. Australië kreeg echter met ernstige droogte te kampen, waardoor Robertson het aantal terug bracht tot 5.000 stuks. Afgelopen maanden zijn er echter zo’n 3.500 lammeren geboren, waardoor de schapenstapel weer is uitgebreid. Dat kan ook, omdat er redelijk wat regen is gevallen. De schapen beweiden op Alagala zo’n 2.000 ha, voornamelijk gras en luzerne. Daarnaast bevat het bouwplan 2.100 ha tarwe, 200 ha haver, 150 ha gerst en 200 ha bonen. De overige 750 ha is bos, erf, wegen en sloten. Al die schapen zitten achter een afrastering. Maar dat is nogal een stuk. Om het hele bedrijf staat 64 km afrastering en binnen het bedrijf staat nog eens 47 km. Iedere 2 tot 5 jaar komt het hele bedrijf onder water te staan vanwege een overvloed aan water. Daarom groef Kurstjens een 22 km lange sloot met een breedte van 8m en 1m diep. Maar meestal is het er droog en dan moet het water uit de bodem komen. Op verschillende plaatsen legden Kurstjens en Robertson daarom drenkplaatsen voor de schapen aan. Dit zijn een soort vennen die worden gevuld met bodemwater. Zonnepanelen vangen het zonlicht op en zetten de energie om in elektriciteit die een pomp in beweging brengt. Zo beschikken de schapen continu over drinkwater. Voor werkzaamheden bij de schapen schafte Gordon een John Deere 6420 met AutoPowr en voorlader aan. Hij denkt deze te kunnen terugverdienen door de tijdsbesparing. En niet te vergeten natuurlijk het gebruiksgemak. Verder is de mechanisatie op Alagala bescheiden. Al loopt er wel een John Deere 9300T rupstrekker van 380 pk. Veel Australische boeren hechten aan het beperken van de specifieke bodemdruk. De rupstrekker is daarom vrij veel in gebruik en dus ook bij Gordon Robertson. Hij gebruikt de 9300T voor het cultivatoren en zaaien. Dat is zo’n beetje alles wat hij zelf doet. De rest doet de loonwerker. Maar dat is niet zo gek veel. Australiërs bewerken de grond minimaal. Beetje spuiten, kunstmest strooien en oogsten. Zo is de manier van werken. Niet zo gemakkelijk om daar iets tegenin te brengen.

 Ondernemers op drie continenten

Gerrit Kurstjens is in Nederland vooral bekend als eigenaar van het gelijknamige loonbedrijf en een boerderij in het Limburgse Grubbenvorst. En niet te vergeten als fervent zweefvlieger. Hij was ook de bedenker van de eerste drie-asser en bouwde deze met mestopbouw in zijn eigen constructiewerkplaats. Ook startte Kurstjens met de import van de Amerikaanse Terragator en RoGator zelfrijders en paste deze aan voor de Europese markt. Later verkocht Kurstjens dit bedrijf aan Ag-Chem, de Amerikaanse fabrikant, die daarmee zelf de import ging verzorgen. Ook trok hij zich gedeeltelijk terug uit het loonbedrijf in Grubbenvorst. Sindsdien heeft hij zijn kaarten vooral gezet op Australië. Samen met zijn echtgenote Pam kocht hij er vier landbouwbedrijven, met een totale oppervlakte van 12.400 ha in de provincie New South Wales. Daarnaast kochten zij een bedrijf in de Amerikaanse staat Texas. In alle gevallen verpachten Pam en Gerrit deze bedrijven. Maar ze onderhouden er wel nauw contact mee. En gedeeltelijk zijn ze bij de bedrijfsvoering betrokken vanuit hun woonplaats Toowoomba in de staat Queensland. Zo zijn ze ondernemers op drie continenten. En tegelijkertijd actieve zweefvliegers.

Goede saldo’s

Het produceren van landbouwproducten is aantrekkelijk in Australië. De grondprijs is erg laag waardoor het mogelijk is om tegen een lage kostprijs op zeer grote schaal te produceren. Daardoor zijn goede saldo’s haalbaar. Enkele kengetallen voor het telen van 1 ha tarwe, gerekend in Australische $ (1 AU $ ~ 0,55 €):

kosten grond (pacht)  70
spuiten 5 x $5   25
zaaien en kunstmest strooien  12
bestrijdingsmiddelen 50
kunstmest 25
maaidorsen 30
graantransport 10
diversen  18
   ______________
totaal kosten per ha per jaar   260  (ca. 145€)

De opbrengst kan 1 tot 6 ton per ha bedragen en de prijs op de vrije markt ligt zo rond 230 $ per ton (13 eurocent/kg). Begrijpelijk dat de grondprijzen de laatste tijd stijgen. Maar een prijs van 40 tot 1500 € per ha (inclusief gebouwen) is nog steeds niet veel. Dat betreft dan wel “dry land”, oftewel niet geïrrigeerde grond. Er zijn dus jaren dat de opbrengst fors achter kan blijven als er onvoldoende neerslag valt.

1 Voor de tarweoogst worden maaidorsers met een grote werkbreedte ingezet, zoals deze New Holland met een maaibord van 10m. Tussen de trailer en de maaidorser bevindt zich een mobiele compressor om de machine op het veld schoon te kunnen blazen

2 “Zero till” is een veelgebruikt systeem in Australië. Er vindt geen enkele bewerking plaats. Zaaien gebeurt in de ruwe stoppel

3 De Case IH SPX 4260 werkt 24 uur per dag met weinig water (40 l/ha) en een rijsnelheid van 30 km/u

4 Vanwege vering op alle vier de wielen is de hoge werksnelheid mogelijk

5 Bovenop het dak van de SPX zitten de antennes en de ontvanger van het GPS signaal voor de parallel besturing

5a Vanuit de lucht is de nauwkeurigheid van het parallel tracking systeem duidelijk te zien. De spuitsporen lopen kaarsrecht en op dezelfde afstand van elkaar over het land

6 Op Bryanangra en Gunyana lopen twee “zero till” zaaimachines van 15m werkbreedte. Achter de vaste tanden monden de zaaipijpen uit

7 De Pinto zaaimachine is achter een pick-up bevestigd. Omdat er geen aftakas op zit, drijft een apart motortje de spuit aan

8 Binnenin de pick-up bevinden zich de bedieningskast en de monitor van het Outback navigatiesysteem

9 Om te voorkomen dat tijdens de tarweoogst de maaidorsers stil komen te staan, staat er op het veld een overlaadwagen voor tussenopslag. Deze heeft een capaciteit van 90 ton

10 Australië staat bekend om zijn grote schaapskuddes. Zoals deze kudde Merino’s op de Alagala boerderij. In veel gevallen een gangbare combinatie met akkerbouw

11 Het beperken van de specifieke bodemdruk krijgt veel aandacht in Australië. De rupstrekker is er daarom veel in gebruik. Vanwege de grote oppervlaktes een voor de hand liggende keuze

12 Gordon Robertson schafte een John Deere 6420 AutoPowr met frontlader aan, met name voor verwerking van ronde balen die hij voert aan zijn 8000-koppige schaapskudde

13 Gerrit en Pam Kurstjens kozen voor Australië vanwege de goede perspectieven voor de landbouw, maar ook om te kunnen zweefvliegen

Zeldzame zandloper

Kniktrekkers maken altijd indruk. Zeker de Australische Baldwin 600 op de Taroo boerderij in New South Wales. Een kolos van zeshonderd pk die op “Triples” de zandvlakte beheerst. Dat schiet tenminste op.

Kniktrekkers zijn in Australië veel in gebruik. Logisch, ze komen daar tot hun recht. De oppervlaktes zijn groot en ze hoeven alleen maar sterk te zijn. Ingewikkelde bewerkingen zijn vaak niet aan de orde. Gewoon een beetje schijveneggen en dat is het dan. Alle gevestigde merken kniktrekkers zijn er te vinden. Maar ook Baldwin komt voor, zij het sporadisch. Van dit merk zijn er in totaal maar 23 gebouwd en de trekker is dus vrij zeldzaam. De Baldwin op de Taroo boerderij in New South Wales is daarom een vrij ongebruikelijke verschijning. Eigenaar Gavin Zell werkt er echter met plezier mee. Hij koestert de trekker. Dat is te zien. Want hoewel de trekker dag na dag met een ruim 27 meter (84 voet) brede cultivator over de vlakte dendert, onderhoudt Gavin de P600 tot in de puntjes.

2.500 uur

Gavin Zell zocht een kniktrekker met veel vermogen en vond deze P600 op een bedrijf in Perth in het westen van Australië. De Baldwin ging op transport naar zijn bedrijf in New South Wales. Zell gebruikt de trekker daar nu voornamelijk voor cultivatoren op het bedrijf dat hij samen met zijn ouders en broer voert. Begrijpelijk dat er vermogen nodig is, want Taroo beslaat zo’n 10.000 ha bouwland, naast nog eens 26.000 ha met schapen en vleeskoeien. Gavin woont zo ongeveer op de Baldwin. Per jaar draait hij 2.500 uur met de trekker, terwijl het gemiddelde rond de 1.500 uur ligt. Met de 84 voet brede cultivator kan Gavin ruim 8 km/uur rijden. Daardoor ligt de bewerkte oppervlakte tussen 20 en 25 ha/uur.

32 ton

De Baldwin is goed tegen zijn taak opgewassen. Er ligt een zescilinder Cummins KTA 1150 motor in met een inhoud van 19 liter. Die lust wel wat. Onder normale omstandigheden verstookt het gevaarte 75 liter diesel per uur. Om te kunnen doorjassen ligt er daarom een brandstoftank van 2.500 liter in. Zo kun je een etmaal door. Voor de bestuurder is het overigens goed toeven. De ruime cabine is rondom voorzien van getint glas en de airco houdt de temperatuur op een aangenaam niveau. Het instrumentenpaneel is overzichtelijk geplaatst en in de rechter console zit de bedieningshendel van de 6V + 1A Allison powershift bak met twee groepen (drop box) en koppelomvormer. Hard rijden doet ie niet. Op 900/60-32 banden bij 2100 motortoeren loopt de P600 maximaal 20 km/u. Maar het is ook niet zo’n aanrader om hard te rijden, want de trekker weegt op dubbellucht (duals) rondom al 32 ton. En met 4 extra bandjes komt er nog wel een paar ton bij.

Naar 800 pk

Het verhogen van capaciteit moet daarom vooral uit de breedte komen. Gavin Zell is van plan om dat te bereiken en wil daarom de huidige motor vervangen door een motor van 800 pk, vermoedelijk ook een Cummins. Daardoor zou het mogelijk moeten zijn om met een bredere cultivator te kunnen werken. Gavin denkt zo naar een werkbreedte van 110 voet (36 m) toe te kunnen. Afgaande op de robuuste constructie van deze Baldwin zou dat mogelijk moeten zijn. En als dat lukt, zal deze trekker nog een beetje meer werk kunnen verzetten. Dan maakt hij met die brede cultivator nog meer indruk.

Franklyn Baldwin:

“Zeeschepen waren ons voorbeeld”

Baldwin bouwde zijn trekkers in Castle Hill, zo’n 30 km ten noordwesten van Sydney. In de buurt daarvan woont nog steeds Franklyn Baldwin, zoon van oprichter E.M. Baldwin en bedenker van de kniktrekker. Met zijn 87 jaar is Franklyn al flink op leeftijd en hij ziet zichzelf een dinosaurus die gewoon doorgaat zolang het kan. Franklyn vertelt over de geschiedenis van de kniktrekker, wat eigenlijk een aparte tak van sport was voor “E.M. Baldwin & Sons”, een bedrijf dat gespecialiseerd was in mijnbouw- en suikerrietlocomotieven. Maar daar begon de klad in te raken. “In 1978 stapten we in de productie van kniktrekkers omdat we ontdekten dat de bestaande merken te weinig vermogen leverden en te zwakke achterassen hadden” vertelt Franklyn. “Dat waren toentertijd Versatile en Steiger die waren uitgerust met Clark assen. De problemen deden zich voor na zo’n 5.000 draaiuren, dan gaven de assen het op. Veel boeren klaagden er over. Naar ons oordeel kwam dat omdat de Clark assen te kleine tandwielen hadden en waren ontworpen op wisselende belasting. Wij zagen meer in een as die de eigenschappen had van een scheepsaandrijving: continu op volle belasting. Daarom ontwierpen we onze eigen assen met grotere tandwielen in een gekoeld oliebad. Op de farmshow in Gunnedah in New South Wales toonden we het eerste model, de 525 met een

Cummins motor en een mechanische 12-versnellingen Twin Disc bak. Arthur Norman, een vooruitstrevende boer in Queensland,  kocht het eerste exemplaar. De transmissie bleek echter niet zonder problemen, zodat we die moesten aanpassen. In 1983 kwam de serieproductie op gang. Kenmerk van onze trekkers was ook de onderhoudsvriendelijkheid en de opklapbare cabine, tot dat moment alleen nog maar te vinden op Big Bud trekkers. Ook maakten we onze eigen wielen, omdat die anders zouden scheuren. We bouwden drie modellen van resp. 400, 525 en 600 pk. Eén daarvan is naar Afrika gegaan. De andere zijn in Australië gebleven. Ondanks de “Australian Design Award” die Baldwin in 1982 ontving voor zijn kniktrekker, werd het nooit een heuse klapper. In totaal bouwde het bedrijf 23 kniktrekkers waarvan de P600 die nu op het bedrijf van Gavin Zell loopt, de laatste was. Het economisch tij zat tegen en de gebroeders Baldwin (Stan, Maurice en Franklyn) verkochten hun bedrijf eind jaren tachtig. De nieuwe Duitse eigenaar beschouwde de productie van trekkers als onbelangrijk en schrapte die daarom uit het programma. Desondanks denkt Franklyn Baldwin met een goed gevoel terug aan de periode waarin zijn bedrijf kniktrekkers bouwde voor de fijnproevers onder de boeren. En al werken die er nog mee naar tevredenheid (een oud werknemer van Baldwin levert onderdelen), het merk Baldwin is geschiedenis.

Technische gegevens

Motor:

Cummins KTA 1150 zescilinder

Vermogen: 

600 pk (447 kW)

Transmissie: Allisson 6000 powershift + Baldwin drop box
Hydrauliek: 2 circuits, extern + besturing
Beschikbare olie: 195 liter
Druk:

180 bar

Brandstoftank: 2.700 liter
Gewicht:

 32 ton op dubbellucht

1 Voor de bestuurder cabine is de ruime cabine met airco een aangename verblijfplaats

2 Een kniktrekker wordt doorgaans niet gebruikt voor gedragen werktuigen. Ook de Baldwin is daarom alleen uitgerust met een fors uitgevallen trekhaak en aansluitingen voor de buitenwerkende hydrauliek

3 Voor het reguliere onderhoud kunnen de motorkap en de cabine hydraulisch omhoog worden geklapt. Dat gebeurt met een elektrisch aangedreven pomp

4 Achter de zescilinder Cummins ligt een 6V + 1A Allisson powershift bak. Daarachter de 2 traps hoog-laag (drop box) die Baldwin zelf ontwierp

5 De zelfontworpen assen kunnen langduriger belasting verdragen. Dat verlangt ook zwaardere velgen en Baldwin ontwierp die daarom ook zelf

6 Gavin Zell werkt per jaar zo’n 2.500 uur met de P600. Om nog grotere werkbreedtes aan te kunnen, vervangt hij de 600 pk motor door een motor van 800 pk, ook een Cummins

Zingende verzamelaar

“Song Writer and Country Music Entertainer” staat er op het doosje van de CD “Tributes and Teardrops” van Graham Berry uit Clifton. Hij is een plaatselijk idool en brengt in de weekenden grote groepen liefhebbers van zijn muziek op de been. Maar Graham Berry is ook akkerbouwer. En niet te vergeten een overtuigd verzamelaar van Caterpillar trekkers. Al staan zijn schuren volgepakt met nog veel meer moois uit het verleden.

Als je niet weet dat Graham Berry een bijzondere persoon is, zou je Rose Lawn zo voorbij rijden. Het is de naam van zijn bedrijf in de buurt van Clifton in Queensland. Maar wie Graham eenmaal heeft zien optreden en/of een bezoek aan Rose Lawn heeft gebracht, is wel even onder de indruk. Is het niet van hem zelf en zijn zangtalent, dan toch zeker van zijn verzameling Caterpillar trekkers. Rose Lawn staat vol met schuren en overal tref je oude trekkers en machines aan. Met de nadruk op rupstrekkers, want dat is de grote liefhebberij van Graham. Hij gebruikt ze ook op zijn akkerbouwbedrijf, al stelt een bedrijf van 160 ha in Australië niet zo veel voor. Daarom is Graham ook artiest en verdient hij met zang een deel van de kost.

Voorkeur voor Cat

Maar over Caterpillar steekt hij graag van wal. Omdat rupstrekkers volgens hem van wezenlijk belang zijn voor het behoud van de bodem. Veel Australische boeren denken er trouwens zo over en daarom zie je regelmatig rupstrekkers op het veld. Vooral het beperken van verdichting is volgens Graham is belangrijk. Dat is belangrijker dan de nadelen. Want rupstrekkers zijn trager en ze produceren meer stof en lawaai dan wieltrekkers. Bovendien zijn ze veel duurder. Maar de slijtage is minimaal. Volgens Graham draait een rupstrekker op deze lichte grond gemakkelijk 20.000 uur zonder noemenswaardig onderhoud. Een gewone wieltrekker haalt dat niet. En het nadeel dat je er moeilijk mee de weg op kunt, telt in Australië eigenlijk niet zo.

Grote bekendheid

Waarom Graham een verzameling Caterpillar trekkers heeft opgebouwd? “Omdat het een merk met lange historie is en nog steeds grote bekendheid geniet”, zegt Graham. “Ook nu de productierechten zijn overgegaan naar AGCO, al denk ik dat maar weinigen dat weten.” De Caterpillar Tractor Company ontstond in 1925 door een fusie van Holt en Best. De hele geschiedenis sindsdien heeft Graham Berry in beeld gebracht door van alle modellen die ooit in Australië zijn geïmporteerd, exemplaren op te sporen en aan zijn verzameling toe te voegen. Dat begint bij de 2 Ton uit 1925, opgevolgd door de Ten, Fifteen, Twenty, Thirty, Sixty enzovoorts. Ze staan keurig in het gelid in een grote loods, waarin Graham ook optreedt voor zijn gasten. Tussen zijn zangoptredens door, kunnen de bezoekers de Cat collectie bekijken, zo’n 80 in totaal. Hij haalde ze uit heel Australië, compleet of incompleet. Als er iets aan ontbreekt, gaat hij op zoek naar een onderdeel. Zoals een radiateur van een Sixty, die hij uit de VS haalde. “Bij Cat is dat nooit een probleem”, zegt Graham. “Je vindt nooit een weeskind, onderdelen zijn altijd nog te vinden”.

Alles is welkom

Zo bouwt Graham Berry zijn collectie verder uit. Met de nadruk op Cat. Maar hij verzamelt nog veel meer, zo’n beetje alles wat hij maar tegenkomt. Oude machines, bromfietsen, auto’s en nog veel meer moois. Bezoekers die weinig interesse hebben in oude tractoren, moet hij ook bezig zien te houden. Daarom vind je er ook poppen, flessen, potjes, grammofoonplaten, alles wat je maar kunt bedenken. Ook voor oldtimer wieltrekkers heeft hij een zwak. Dus die kunnen er nog wel bij. Alle schuren staan hutje mutje vol. Ook alle afdaken zijn in gebruik. En als er helemaal geen droge plek meer te vinden is, moeten de trekkers maar onbeschut in de open lucht blijven staan. Inclusief de rupstrekkers telt zijn verzameling nu zo’n 200 oldtimer trekkers. Los nog van alle maaidorsers, harken, maaiers en noem maar op. Het maakt Rose Lawn tot een bijzondere plek. Een zingende boer die er rupstrekkers verzamelt. Die kom je maar weinig tegen.

1 “Rose Lawn” is de naam van de boerderij van Graham en Dal Berry. Plaatselijk genieten ze grote bekendheid vanwege hun grote collectie oldtimer trekkers en de country muziek waarmee Graham zijn publiek ontroert

2 Graham Berry is een verwoed verzamelaar van Caterpillar trekkers. “Het is een merk dat zijn gezag al bijna een eeuw heeft behouden”

3 De Caterpillar trekkers staan verscholen in schuren en onder afdaken. Trekkers van minder waarde verblijven in de open lucht

4 Naast bekende trekkermerken verzamelt Berry zo’n beetje alles wat hij kan vinden, zoals deze Australische Howard